De verhouding tussen een archiefinstelling en het archief dat door die instelling wordt bewaard wordt doorgaans in termen van uitwendigheid gedacht. Zo zal men zich tevreden stellen met de veronderstelling dat een archief- en documentatiecentrum dat nominaal aan 'communisme' refereert 'communistisch' archief bewaart. Men zal doorgaans geen vragen stellen naar hoe de bewaarinstelling zelf deel uitmaakt van het bewaarde archief resp. van de geschiedenissen die op basis van het bewaarde archief mogelijk zijn.
Ook Dacob bevindt zich niet zo maar buiten het archief dat het bewaart. De ontstaansgeschiedenis van het centrum is intiem verweven met een vraag of met behoeften van de partij of de 'zuil' waarvan het archief wordt bewaard. Bijzonder aan Dacob is echter dat zijn ontstaansgeschiedenis een politieke ontwikkeling 'finaliseerde'. Dacob is gegroeid uit het einde van een toekomst. Vanuit dit einde kan men enig zicht krijgen op enkele specifieke kenmerken van Dacob, evenals op wat door Dacob aan archieven en boeken wordt bewaard.
De KPB (Communistische Partij van België) werd opgericht in 1921. De kleine Belgische afdeling van de Komintern (de Communistische of Derde Internationale) moest meteen vechten voor haar voortbestaan. Toen al stelde zich voor de KPB de existentiële vraag naar haar einde. Reeds toen stelde de crisis van de 'subjectieve factor', d.w.z. van het arbeidersbewustzijn zich in alle scherpte. Hadden Oktober 1917 en het einde van de eerste Wereldoorlog de hoop doen rijzen op een wereldwijde revolutie, dan kondigden de jaren twintig een neergang aan van, om met Lukàcs te spreken, de 'actualiteit van de revolutie'. Het jaar 1923 was een keerpunt. In dat jaar werden de verschillen in het revolutionaire proces tussen 'Oost' en 'West' en het proces van isolering van de Russische Revolutie (dat zou uitlopen op een bureaucratisch 'socialisme in één land') bezegeld. Het in vergelijking met het Russische nochtans veel sterkere Duitse proletariaat slaagde er niet in om één van de ernstigste maatschappelijke crisissen in de geschiedenis van het kapitalisme van de twintigste eeuw te laten uitlopen in een nieuwe zegevierende Oktober, waarmee meteen één van de voorwaarden werd gelegd voor de overwinning van het fascisme.
In België stelde de revolutie-vraag zich zelfs niet. De communisten botsten op een arbeidersklasse die sterk gecontroleerd en gediscplineerd werd door een sterk georganiseerd, goed ingeplant en wijdvertakt sociaal-democratisch kamp (mutualiteiten, vakbonden, coöperatieven enz.), een soort van totalitaire staat binnen de arbeidersklasse. Pas in de jaren dertig - de jaren van de grote depressie - begonnen bredere massa's in de KPB een alternatief te ontwaren voor de sociaal-democratie. Vanaf de stakingen van 1932, maar vooral vanaf 1936 (fascistisch gevaar, algemene werkstaking, Volksfront-experimenten in Frankrijk en Spanje…) begon de KPB te groeien. Ze werd groot tijdens de oorlog, na de zomer van 1941 (na het einde van het Stalin-Hitler-pact tijdens hetwelk de KPB het antifascisme tijdelijk begroef) toen ze samen met het Onafhankelijkheidsfront en het Partizanenleger in aanzienlijke mate bijdroeg tot de omvorming van een louter passief verzet tegen de bezetter in een actief antifascistisch, maar vooral anti-Duits of tricoloor, gewapend verzet. De KPB kende een snelle massale doorbraak in de periode 1943-46. Het aandeel van de KPB in de Wederopbouw van West- en Zuid-Europa lag duidelijk onder dat van de PCF en de PCI. De KPB behoorde, samen met o.m. de CPN, tot de kleinere communistische partijen. Toch bezat ook in België dé Partij van het Verzet een kapitaal aan populariteit (bijv. 90.000 leden in 1945) en institutionele legitimiteit. Dit kapitaal was voldoende om haar een rol toe te kennen in een nationale algemene wedertewerkstelling. De KPB was van het najaar van 1944 tot het voorjaar van 1947 mee aan de macht.
Het kan niet genoeg worden benadrukt dat de KPB groot werd op basis van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van een nationale politieke lijn. Het ging om een nationaal communistische partij. Ze bleef tegelijk volledig ingeschakeld in de 'internationale communistische beweging' die volledig beheerst werd door de belangen van de Sovjet-bureaucratie. Er kon overigens geen sprake zijn van een tegenstelling. De leer van het 'socialisme in één land' verdiepte zich in de afzonderlijke landen van het Westen met vele nationale politieke lijnen die, juist omdat ze de politieke actie uitzetten binnen het constitutioneel kader van de burgerlijke democratie, konden convergeren met de buitenlandse politiek van de Sovjet-diplomatie. De KPB groeide van 1936 tot 1946-47 als een consequent volgzame stalinistische partij. De basis van de partij werd niet gelegd in 1921 - de oprichting van de KP werd niet opgedrongen vanuit Moskou -, maar wel in 1928 toen de stalinistische minderheid het partijapparaat in handen kreeg.
De KPB ging met dezelfde nationale politieke lijn ten onder. De nationale communistische partijen van het Westen waren in de manicheïstische jaren 1947-1953 in de greep van een binaire ideologische structuur waarbinnen ze een gevecht voerden tegen het Atlantisme en de Derde Wereldoorlog, waardoor ze zich meer dan ooit onderwierpen aan een buitenlands Vaderland. Dit kwam erop neer dat ze zich zo veel mogelijk terugtrokken uit de politieke instellingen van de 'eigen' natiestaat en terugplooiden op een gesloten tegenmaatschappij met een eigen micrototalitaire uitsluitingscultuur van waaruit de burgerlijke neergang werd aanschouwd. Tegelijk bleef de gelijkstelling van een onderwerping aan een buitenlands vaderland met de belangen van het 'eigen' vaderland intact en nam zelfs toe. Ook de KPB realiseerde in de periode 1947-1953 een strakke, zowel politieke als culturele, invoeging in het 'socialistische kamp' en verdiepte haar terugplooiing op een Belgische nationale identiteit met een streven naar 'nationale onafhankelijkheid' - tegen een onderwerping aan Amerika - dat refereerde aan een noodzakelijke verderzetting van het nationale Verzet, van het 'vrijheidsstreven van het Belgische volk' van tijdens de oorlog. De KPB was in die jaren de anti-Amerikaanse partij in België. Tegen het Amerikaans imperialisme, maar tevens ruimer tegen Amerikaanse vormen, gedragingen en gedachten, wat gelegitimeerd werd met verwijzingen naar de eigen nationale erfenis, naar de eigen geschiedenis, naar de eigen wortels en afstammingslijnen die als een onderdeel werden gezien van het ruimere Europees cultureel erfgoed.
Een hoofdkenmerk van de KPB in deze periode, zeker in de jaren 1950-1954, was evenwel haar ondubbelzinnige sterke achteruitgang binnen de 'eigen' nationale ruimte. De marginalisering van de KPB - die de vorm aannam van een zelfisolering - verklaart heel waarschijnlijk waarom de literatuur over de naoorlogse Belgische variante van de consociational democracy - de zogenaamde pacificatiedemocratie, het hoofdparadigma van de belgologie - weinig of geen belangstelling voor de communistische stroming heeft gehad. Nochtans komt aan de KPB als afwijkende casus juist een groot politicologisch en politiek-historisch onderzoeksbelang toe. De marginalisering van de KPB verliep snel en haast probleemloos daar de zelfisolering van de KPB tevens in zeer belangrijke mate een uitwerking was van het gegeven dat de KPB reeds in de laatste fase van de oorlog geweerd werd uit de Belgische variante van de New Deal en ruimer uit het pacificatiespel van de Belgische pragmatische elites en uit een Belgisch parallel politiek besluitvormings- en beslissingscircuit. De KPB, die in de naoorlogse jaren zeer gehecht was aan de nationale politieke instellingen, werd enkel tot het grondwettelijk voorziene politieke spel toegelaten. De communistische stroming was niet betrokken bij de totstandkoming van het Sociaal Pact dat afspraken vastlegde over criteria met betrekking tot de representativiteit van de vakbonden. De KPB had een erg belangrijk aandeel in de syndicale herstructurering die begon tijdens de oorlog, maar droeg uiteindelijk bij tot de oprichting van het ABVV dat vrij snel evolueerde in de richting van een sociaal-democratische massavakbond. Dit alles betekent geenszins dat de KPB - die zich in belangrijke mate in het verlengde bevond van de buitenlandse politiek van de USSR - zich door de pragmatische elites van het Belgisch systeem liet instrumentaliseren of dat ze geen rol kon vervullen aan de onderkant van het pacificatiedemocratiemodel. Maar men kan niet buiten de vaststelling dat de KPB na 1947 weliswaar beschikte over een eigen min of meer uitgebouwde gesloten subcultuur, maar niet kon terugvallen op massa-zuilorganisaties en derhalve niet mee technieken van cliëntenbinding kon inzetten en ontplooien.
Het gevolg hiervan was, zoals gesteld, een ondubbelzinnige sterke achteruitgang van de KPB, vanaf de jaren vijftig. De KPB overleefde de 'eerste' Koude Oorlog (1947-53, vooral 1950-1953, de periode van de Korea-oorlog) met de uittekening van een nationale politieke lijn die meer aangepast was aan de 'eigen' arbeidersbeweging (Congres van Vilvoorde in december 1954). Deze lijn liet toe een verdere harde zelfisolering tegen te gaan. Maar de partij slaagde er niet in om nieuwe significante doorbraken te realiseren. Ze begon weer wat op te leven in de jaren zestig, in de nasleep van de Grote Staking van 1960-61, maar werd in dezelfde sixties geconfronteerd met een culturele revolutie - die startte in Amerika - en met een brede jeugdradicalisatie. De KPB moest hier bijna noodzakelijk grotendeels vreemd aan blijven. Ze werd zelf voorwerp van contestatie. Het protest richtte zich tegen de autoritaire schaarstemoraal van de Vaders en tegen alle gesloten instellingen, dus ook tegen de 'officiële' communistische partijen, en tegen organisaties die gemodelleerd waren naar het gesloten grootindustrieel fabrieksdespotisme. Zo werd de KPB voorbijgestoken op een terrein van verzet - de fordistische arbeidsorganisatiepolitiek - dat voor haar een grotendeels ongekend terrein was, ook al dankzij haar politieke en ideologische verbondenheid met de bureaucratische commando-economieën van het Oosten.
In het midden van de jaren zeventig brak voor de KPB een nieuwe cyclus aan die ongeveer tien jaar zou duren en haar in staat zou stellen om tot op zekere hoogte uit het isolement van de voorgaande periode te geraken, om tenslotte tenonder te gaan. De KPB overleefde m.a.w. niet de 'tweede Koude Oorlog'. Deze kwam op met een felle heropleving van de wapenwedloop vanaf 1979 binnen een kader van een internationale lange structurele crisis van de kapitalistische economie. Deze crisis werd uitgediept met een politiek van herstel van de winstvoet, ook in de vorm van een herbewapeningseconomie die tevens een antwoord was op de Amerikaanse nederlagen in Viëtnam (1975), Iran (1979) en Nicaragua (1979). De 'tweede' Koude Oorlog had als bijzonder kenmerk dat hij zich combineerde met een verdieping van een ernstige crisis van socialistische of bureaucratische commando-economieën. De regimes van de landen van het 'reëel bestaande socialisme' begonnen in de loop van de jaren tachtig ernstig te wankelen, vooral onder het effect van fantastische inwendige contradicties. Ze stortten uiteindelijk in. De KPB verloor zeer snel terrein, juist omdat haar ondergang, die in de pas liep van de ineenstorting van het socialistische kamp, tevens in zeer belangrijke mate de uitwerking was van haar marginale positie binnen de naoorlogse Belgische pacificatiedemocratie.
De plaats van de KPB binnen de Belgische pacificatiedemocratie - een plaats 'in de marge' - is de sleutel voor het begrijpen van de ontstaansgeschiedenis evenals van bijzondere kenmerken van Dacob.
De situatie van Dacob heeft iets paradoxaals. Dacob behoort niet tot de archief- en documentatiecentra 'op basis van maatschappelijk-filosofische stromingen'. Dacob wordt soms tot de 'kleurarchieven' gerekend, maar situeert zich vanuit zijn Missie allesbehalve principieel binnen een bepaald 'wereldbeschouwelijk' of politiek denkkader. Dacob is losgekoppeld van een vraag naar legitimatie die uitgaat van een politiek heden van een (nog) bestaande politieke partij of zuil. Dit betekent nochtans niet dat Dacob ontstaan is binnen een neutrale ruimte. De oprichting van Dacob was één van de orgelpunten van een politieke neergang. De KPB hield op te bestaan in 1988. De definitieve neergang van de KPB zette in na de sociale nederlaag die de Belgische arbeidersbeweging in 1986 leed na tien jaar haast ononderbroken interprofessioneel syndicaal verzet en na een hoogtepunt in de ontwikkeling van de vredesstrijd, dit alles aan de onmiddellijke vooravond van de ineenstorting van de bureaucratische commando-economieën in Oost-Europa (de 'Val van de Muur' in 1989) die snel, in 1991, werd gevolgd door de ineenstorting van de Sovjet-Unie, ooit de 'eerste socialistische staat' in de wereld waarvan de stichting mee aan de basis had gelegen van de oprichting van de KPB in 1921. Twee van elkaar onafhankelijke politieke formaties, namelijk de KP (Kommunistische Partij) en de PC (Parti Communiste) maakten zich los uit het oude KPB-organogram. Tegelijk werd een Unie van Kommunisten van België (UKB) opgericht die verantwoordelijk bleef voor o.m. de buitenlandse politiek van de twee partijen. Deze ontwikkeling beantwoordde op het eerste gezicht aan een aanpassing van een oude, unitaire partijstructuur aan de hervorming van de Belgische staat. Achter deze 'aanpassing' school de al vermelde ondergang van de KPB. De vermelde partijen konden geen slagkracht ontwikkelen en in 1995 werd de UKB opgeheven. In datzelfde jaar werd Dacob opgericht.
Langs Franstalige zijde ontstond uit de 'archief-tak' van de Fondation Joseph Jacquemotte - aan wie de KPB reeds in de jaren zeventig het beheer van haar archieven had toevertrouwd - CArCoB (Centre des Archives Communistes en Belgique). Het ontstaan van Dacob en CArCoB werd ontegensprekelijk rechtstreeks gestimuleerd door de oprichting, eveneens in 1995, van de Stichting voor het Historisch Patrimonium van de KPB (Hispatk) daar voor het archief dat in handen kwam van deze Stichting gepaste bewaarnemers moesten gevonden worden. CArCoB werd als archiefinstelling meteen door de Franse Gemeenschap erkend. Dacob daarentegen kwam niet onmiddellijk in aanmerking voor een afzonderlijke werkingssubsidie en vond tijdelijk een onderkomen bij Imavo vzw (Instituut voor Marxistische Vorming).
Dacob werd een vzw op 15 december 1998, waardoor een begin kon gemaakt worden met de uitbouw van een zelfstandig archief- en documentatiecentrum. Dacob kon zich in een eerste fase in stand houden dankzij een experimentele toelage van het Vlaams Ministerie van Cultuur - Afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheekwerk, daarna Afdeling Beeldende Kunst en Musea. Dacob kon pas tot ontplooiing komen vanaf 2003, dankzij een jaarlijkse werkingssubsidie op basis van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 juli 2002 houdende de privaatrechtelijke culturele archiefwerking (B.S., 01.10.02).
Het 'archiefdecreet' zal in 2008 geïntegreerd worden binnen een overkoepelend 'erfgoeddecreet' van de Vlaamse Gemeenschap. Het 'archiefdecreet' was reeds een belangrijke stap in de uitbouw van een systematische zorg voor het erfgoed. Het kon passen in een politiek van patrimonialisering die kan gelezen worden als een onderdeel van een veelheid aan restauratieve projecten die vanuit een confrontatie met het uiteenvallen van traditionele maatschappelijke verbanden en zich beroepend op familie, kerk, vaderland, de partij, de fabriek enz. zich overgeven aan een verlangen naar maatschappelijke structuren uit het verleden.
Het bewaren van boeken en archieven over of uit een verleden moet nochtans niet noodzakelijk een hang naar restauratie dienen. 'Verleden' kan de constructie zijn van een structuur die verdient gered en verdergezet te worden, maar studie van het verleden kan evengoed een voorwaarde zijn om nieuwe dingen te bedenken én om 'actueel' te zijn, d.w.z. om in staat te zijn het 'actuele' te denken. Actueel zijn impliceert immers een scheiding, m.a.w. een denken dat het verleden effectief als verleden denkt. De creatie van iets nieuws houdt in dat oude vormen en gedachten worden afgebroken, maar een grondige afbraak, zo die gewenst is en tot de mogelijkheden behoort, vooronderstelt een grondige kennis van 'geperimeerde' machtsstructuren. Zo kan de studie van het 'communisme' een - zeer - belangrijk onderdeel zijn van een poging om de 20ste eeuw te denken. Om uit de denk- en machtsstructuren te geraken van die 'korte eeuw' die begon in 1917 en volgens sommigen eindigde in 1989, volgens anderen reeds in 1968. Die machtsstructuren betreffen een gans socioeconomisch en politiek bestel - een gereguleerd industrieel kapitalisme - dat gekenmerkt werd door een scheiding tussen markteconomie en socialistische beheers- en controlemiddelen waarmee, zoals in de Sovjet-Unie, een modernisering werd gerealiseerd van 'pre'-kapitalistische verhoudingen of op een zeer despotische wijze een 'oorspronkelijke accumulatie' van kapitaal werd doorgevoerd. Het 'socialisme' en zelfs 'communistische' regeermiddelen zijn niet overal ter wereld ondergegaan met de crisis, die een aanvang nam in 1953-56 en eindigde in 1989-91, van socialistische controlemechanismen. Ook in China werd een socialistische toekomst gerealiseerd - of gingen communistische projecties onder in een rechtstreekse integratie van een socialistisch blok in de wereldmarkt - maar 'communistische' machtsstructuren zijn er overeind gebleven; ze dragen bij tot de disciplinering van de arbeidskracht binnen een uitbuitingsstructuur of dienen een zeer agressief kapitalisme.
Dacob kan een bijdrage leveren tot het onderzoek naar die 'korte eeuw' of naar hoe 'socialisme' een - bijzondere - component was van een binair gestructureerde mondiale hoogindustriële regulatie.
Het archief dat door Dacob wordt bewaard is haast per definitie 'nationaal' - i.c. nationaal communistisch - archief dat echter dikwijls vrij rechtstreeks toegang verleent tot een ruimere mondiale structuur, tot één van de grote wereldideologieën, resp. politieke bewegingen van de 20ste eeuw. De KPB was immers tussen 1921 en 1943 de Belgische afdeling van de Komintern en verleende ook na 1943 aan haar optreden een uitgesproken internationale betekenis, eerst tijdens de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog en de Bevrijding, daarna tijdens de Koude Oorlog.
Het is echter een illusie te menen dat het verleden zo maar volledig kan 'afgebroken' worden of dat het kan verdwijnen. Het verleden kan niet verdwijnen omdat het niet kan afsterven. Historisch onderzoek is haast per definitie 'eeuwig' daar het object ervan - het verleden - steeds weer gedeconstrueerd en gereconstrueerd wordt of m.a.w. de inzet is van strijd - van een strijd die nooit helemaal gestreden is, van een permanente strijd om het verleden. Het archief wordt geïnterpelleerd vanuit voortdurende paradigmatische verschuivingen in het onderzoeksveld. Zo zal ook het materiaal dat door Dacob wordt bewaard en wordt aangeboden telkens nieuwe lezingen toelaten, waarvan geen enkele ooit definitief of sluitend zal zijn.
Zo gepeild wordt naar hoe Dacob zich in de toekomst ziet en naar wat het wil bereiken, kunnen we rustig stellen dat Dacob een centrum is met duidelijke, zowel kortetermijn- als langetermijndoelen, maar zonder centraal (doel-) Einde, daar het een permanente opdracht heeft en de zorg op zich neemt van documenten die ter beschikking worden gesteld zowel van huidige als van toekomstige generaties.