Lokatie

Dacob bevindt zich in de oude Zuidwijk van de Brusselse benedenstad. Het archief dat door Dacob wordt beheerd knoopt een merkwaardige relatie aan met de 'omgeving' waarin Dacob zich bevindt.

 

1. Communistische pers

Dacob heeft een onderkomen gevonden in een groot pand, met het nr. 33, in de Brusselse Kazernestraat. (Klik op de foto's voor een grotere afbeelding.)

Aan de voorgevel van het herenhuis bevindt zich een plaat die Joseph Jacquemotte, één van de stichters van de KPB, uitbeeldt. Het opschrift luidt: Hommage à Joseph Jacquemotte. Défenseur du peuple / Hulde aan Joseph Jacquemotte. Verdediger van het volk. Het refereert aan de 'frontistische' lijn - de strategie van het Volksfront. De KPB volgde deze lijn vanaf 1935, zeker vanaf 1936, het jaar waarin Jacquemotte overleed. De plaat werd aangebracht in de onmiddellijk naoorlogse jaren toen het pand het Huis van de Pers werd. Eigenlijk van de communistische pers. De redactie van Le Drapeau Rouge vond er een onderkomen. De communistische bladen, o.m. De Rode Vaan, evenals vele communistische brochures, folders en affiches werden er gedrukt en uitgegeven door de S.P.E. / N.V.V. (Société Populaire d'Editions / n.v. Volksuitgaven). De drukkerij overleefde het einde van de KPB en de Val van de Muur dankzij bestellingen van veeleer progressieve organisaties. Ze hield op te bestaan in 2006.

 

2. Biopolitiek

In het interbellum fungeerde het gebouw als een textielmagazijn. In vroegere tijd huisvestte het de ambassade van het Ottomaanse rijk. De inplanting van een ambassadegebouw in de Kazernestraat laat zich verstaan vanuit de geschiedenis van de Zenne-rivier.

De Zenne scheidde in de 19de eeuw de benedenstad van de bovenstad. De bedding van de Zenne bevindt zich nu onder de Lemonnierlaan en wordt gevolgd door de trams die het Zuidstation en het Noordstation ondergronds verbinden. De Kazernestraat, die gelijk loopt met een deel van de Lemonnierlaan, lag dus aan de Zenne en dankt hier trouwens onrechtstreeks haar naam aan.

De naam verwijst naar de Brusselse brandweerkazerne die zich voorzag van Zennewater. De Kazernestraat mondde uit bij een wat rizomatische structuur waarvan de vele vertakkingen van de Zenne de basis waren en waarbinnen verpauperde massa's op eilandjes leefden. De belangrijkste economische activiteit draaide rond vodden. Op de plaats die het Anneessensplein zou worden, tussen de Zenne en de Kleine Zenne, bevond zich trouwens een voddenmarkt. Deze structuur was één van de mikpunten van de biopolitiek van de Brusselse bourgeoisie. Degeneratie, besmettelijke ziekten en epidemieën dienden uit de stad gebannen te worden. Men begon op einde van de jaren zestig en in het begin van de jaren zeventig van de 19de eeuw met het overwelven en rechttrekken van de Zenne. Om de burgerij niet voor het hoofd te stoten, verhuisde de voddenmarkt naar het Vossenplein, waar ook de brandweerkazerne zich zou vestigen. Om de kloof tussen 'boven' en 'beneden' te dichten of om de burgerij naar de benedenstad te lokken werden boven op de rechtgetrokken Zenne centrale boulevards aangelegd. Zo werd de Lemonnierlaan opgetrokken in ware Hausmann-stijl. Men had winkels en appartementen op het oog naar het model van Parijs, de 'hoofdstad van de 19de eeuw' (Walter Benjamin).

Het monumentale Zuidpaleis - tussen de Lemonnierlaan en de Stalingradlaan - blijft een getuige van een poging om markt- en winkelcomplexen te hebben naar Parijs model. Het project mislukte vrij snel. Vandaag doet een belangrijk deel van het pompeuze gebouw dienst als omnisporthal. Men leert er o.m. gevechtssporten aan.

Een andere getuige van de 19de eeuwse 'sociale sanering' is het gebouw van de ambassade van het Ottomaanse Rijk.

Zeker in België zijn de dingen nooit wat ze schijnen. De Belgische communistische pers en later het Belgisch communistisch archief vonden een onderkomen in een gebouw dat mogelijk werd gemaakt door een hygiënistische uitroeiing van een belangrijk segment van het Brusselse pre- of semi-proletariaat.

 

3. Precariaat

De sanering van de Zuidwijk mislukte gedeeltelijk. Reeds in de jaren twintig ontstonden in de Anneessenswijk problemen. In de recente periode wordt deze wijk overigens zeer sociologisch en zeer officieel als een 'probleemwijk' gedefinieerd. De wijk is m.a.w. het voorwerp van politiek ingrijpen. Van wijkcontracten tot veiligheidscontracten. Samen met een gedeelte van de Kazernestraat is de Anneessenswijk een concentraat van uitsluiting, bestaansonzekerheid, hoge werkloosheids- en armoedecijfers, flexibele arbeidscontracten, huisvestingsproblemen en zwarte economie, zoals drugshandel en jongerenprostitutie.

Als we van de Kazernestraat 33 naar het Anneessensplein wandelen, ontmoeten we halverwege de Artesiëstraat. Een wat troosteloze, banale straat die, zoals de meeste straten hier, voor stadsgidsen een straat zonder geschiedenis is. Via deze straat komen vele immigranten, zowel legale als illegale, vanuit het Klein Kasteeltje in de wijk, en mogelijk in het centrum van Brussel terecht. In deze straat was tot kort geleden een matrassenmaffia actief die tegen een zeer hoog bedrag ligplaatsen verhuurde, in kamers waarin meerdere personen werden gepropt. In de straat bevindt zich ook een antenne van Artsen zonder Grenzen. Nog in dezelfde straat rijst een neogotisch geheel op: de kerk van Sint-Antonius van Padua - Heilige der Armen - en een bijbehorend klooster van minderbroeders-conventuelen. Elke dinsdag, de dag waarop van 's morgens tot 's avonds missen worden opgedragen, schuiven op de middag lange rijen mensen aan langs de gratis broodbedeling.

De Artesiëstraat geeft nog een redelijk homogeen beeld van een lokatie uit het einde van de 19de eeuw. Hetzelfde kan niet gezegd worden van het Anneessensplein dat uit vele historische lagen en sociale fragmenten bestaat. Het standbeeld in wit marmer van François Anneessens beeldt de Brusselse volksheld uit die nobel, met geboeide handen, naar zijn terechtstelling schrijdt. Het evoceert een rebels verleden, een recht op opstand, een Brussels ius resistentiae. In de naoorlogse jaren, toen ze nog groot en sterk was, organiseerde de KPB op dit plein publieke meetings en militantenconcentraties.

Aan de andere kant van het plein bevindt zich het Cooremansinstituut in het gebouw van de voormalige Gemeenteschool nr. 13. Dit gebouw, opgetrokken in Vlaamse neo-renaissancestijl, lijkt meer op een stadhuis dan op een school. Het symboliseert de 19de-eeuwse liberale ideologie. Het moest een alternatief zijn voor de sinistere stijl van het katholiek onderwijs. Het was een ode aan het niet-confessioneel modelonderwijs en moest de toon aangeven in het wegwerken van de scheiding tussen boven- en benedenstad.

Achter het Cooremansinstituut duiken hoge woningblokken op. Versleten patrimonium uit de periode van de Expo, maar nog steeds bewoond. In november 2005 streek hier een filmploeg neer van een Vlaamse zender. De aanleiding waren de ongemeen heftige revoltes in de Franse banlieues. De vraag luidde: is het van hieruit, vanuit de Anneessenswijk, dat de Franse branden in België navolging zullen krijgen? De televisiemakers ontmoetten in en rond de blokken in de eerste plaats oud- of oude communisten. Ze getuigden van hoe ze in de wijk militeerden voor de KPB. Deze oude militanten getuigen van het lage communistische leven, van ervaringen waarvan tot op heden maar al te weinig sporen zijn terug te vinden in de archieven die door Dacob worden bewaard. Het gaat trouwens om communisten die geen archief, in de gebruikelijke bureaucratische zin van het woord, hebben bijgehouden maar waarvan het geheugen, dat er nog enkel is om zich het verleden te herinneren, grotendeels intact is gebleven.

Het is volledig anders gesteld met de meerderheid van de wijkbewoners. Die behoort niet langer tot de 'arbeidersklasse' tot wie de communisten zich vroeger richtten. Het gaat om werklozen, tijdelijke werkers zonder duidelijke status, mensen zonder verblijfstitel, vooral om contractlozen die soms onder, soms juist boven het bestaansminimum zitten, kortom om een precariaat dat overleeft met 'contracten zonder geheugen'. Contracten die zonder geschiedenis zijn en de sociale strijd niet langer interioriseren. Contracten die ontdaan zijn van de New Deal, evenals van Oktober, waarop de New Deal een integrerend antwoord was.

Voor de jongeren in de buurt die snel, soms razendsnel lopen én spreken is de communistische identiteit een vreemd gegeven. Ze drukken op hun manier het einde uit van een geschiedenis waarvan de organisaties en de ideologische voorstellingssystemen gemodelleerd waren naar het grootindustrieel fabrieksmodel.

 

4. Rode plein

Men is nochtans niet volledig onredelijk als men de Belgische banlieues gaat opzoeken in de Brusselse binnenstad. De Brusselse burgerij wou Parijs imiteren, maar de sociale scheidslijnen in Brussel weerspiegelen allesbehalve de Franse. De 'periferie' bevindt zich in het geval van Brussel niet buiten, maar binnen de stad. De sociale differentiaties beantwoorden in Brussel aan andere ruimtelijke afstanden. Er kan gesproken worden van 'inwendige' banlieues. De Zuidwijk vormt allesbehalve een 'banlieue' maar binnen de Zuidwijk lokaliseert zich een precariaat op plaatsen waarvan de genealogie elementen van een semi- of pre-industrieel verleden en elementen van een industrieel verleden laat samenkomen. Binnen de Zuidwijk hebben zich maar in beperkte mate industriële ondernemingen gevestigd, maar de formatie van de Zuidwijk is volledig doortrokken van de ontplooiing van de Industriële Revolutie in Brussel en ruimer in België.

De plaats die nu het Rouppeplein is, was het voorplein van het eerste Zuidstation. Het toenmalige Bogaardenstation, dat ontstond in 1840, bevond zich dus op amper 400 meter van de Brusselse Grote Markt. Het was een kopstation dat treinen ontving met arbeiders uit het Zuiden (Charleroi, Mons, La Louvière, Halle...) waarvan een deel via het Anneessensplein dagelijks zijn weg vond naar de Brusselse industrie die vooral gevestigd was in Kuregem en Sint-Jans-Molenbeek, het 'kleine Manchester van het vasteland'.

Rond of in de buurt van het eerste Zuidstation vestigden zich niet alleen hotels en cafés (al dan niet met kamers) maar ook de eerste, veeleer radicale organisaties van de Brusselse arbeidersbeweging. Het Rouppeplein werd het Brusselse rode plein. Vandaag bevindt zich op het plein nog steeds het Syndicaal Huis / Maison syndicale van het ABVV. Het heeft o.m. een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van een radicaal bediendensyndicalisme - een syndicalisme van een radicale arbeidersaristocratie, zo u wilt - waaruit trouwens tot op zekere hoogte de groep van Les Amis de l’Exploité (de 'groep van Jacquemotte') is gegroeid die mee aan de basis lag van de oprichting van de KPB in 1921.

Kijken we vanuit het Rouppeplein in zuidelijke richting, dan krijgen we zicht op de contouren van het huidige Zuidstation dat mogelijk werd dankzij een doorgedreven lokale de-industrialisering - de verhuis van bedrijven, o.m. naar Halle - en een grondige onteigenings- en ontvolkingspolitiek. Het huidige Zuidstation correspondeert met de eisen van een transnationaal kapitalisme. Het beantwoordt aan de verdere uitbouw van Brussel als de hard core van Europa en als een global city. Het is in de plaats gekomen van het naoorlogse Zuidstation - dat ontstond in het begin van de jaren vijftig na de voltooiing van de Noord-Zuid-verbinding - dat zelf in de plaats kwam van het station dat in de jaren zestig van de 19de eeuw verhuisde van het Rouppeplein naar het Grondwetplein.

Na de afbraak van het Bogaardenstation maakte de Zuidlaan, soms ook Zuiddreef genoemd, de verbinding tussen het Rouppeplein en de nieuwe Zuidwijk. Deze dreef werd na de tweede wereldoorlog de Stalingradlaan. Deze naamsverandering beantwoordde aan de toenmalige politieke en ideologische conjunctuur. De laan nam de nieuwe naam aan op een ogenblik (december 1948) dat de zon van Stalingrad reeds ten onder was gegaan en we ons reeds volop in de Koude Oorlog bevonden. Maar de nieuwe naam gaf hoe dan ook het prestige aan waarop de USSR, dankzij haar aandeel in de oorlogsalliantie, in die jaren (nog) kon rekenen, ook in het Westen. Laten we bijvoorbeeld niet vergeten dat in dezelfde periode de Brusselse universiteit (ULB) aan Stalin de titel van doctor honoris causa verleende.

In het huis met de nrs. 18-20 van de Zuidlaan woonde een notaris, een rexist die tijdens de oorlog collaboreerde met de nazi’s. Bij de Bevrijding eigenden gewapende communisten zich het herenhuis toe. De KPB bracht er op het einde van 1944 haar nationaal secretariaat in onder. Het werd het centrale nationale bolwerk van de KPB. Het werd afgebroken in de jaren zestig. Op dezelfde plaats verrees in het begin van de jaren zeventig een nieuw en groot modern partijgebouw, opgetrokken in een stijl die kenmerkend was voor de ideologie van de naoorlogse planstaat.

Het gebouw bleef dienst doen als partijgebouw tot in 1995 (zie Historiek). Het huisvest momenteel Franstalige vrijzinnige organisaties.

Vanaf de jaren negentig gingen stemmen op om de naam ‘Stalingradlaan’ te veranderen. De naam werd behouden en het perspectief van de laan werd recent compleet anders. Zo werd in het midden van de laan een wandelweg aangelegd waarvan de naam Rosa Luxemburgdreef / Allée Rosa Luxembourg is.

 

5. Hegel, Marx, Lenin

We keren terug naar het Rouppeplein dat de naam kreeg van de eerste burgemeester van Brussel - een revolutionair dus - en dat werd ingehuldigd in september 1841. We kijken in het midden van het vierkante plein naar het witmarmeren standbeeld met fontein dat in 1848 werd ingehuldigd. De kroon op het hoofd van het beeld heeft iets speciaals. Ze is een reproductie van de kathedraal van Sint-Michiel & Sint-Goedele.

Dit beeld stelt niet alleen de stad Brussel voor maar symboliseert ruimer de theoretische status van de staat die zich heeft geformeerd na de Belgische revolutie van 1830.

Het is algemeen geweten dat de Belgische Revolutie niet werd doorgevoerd tot op het terrein van de filosofie, wat betekent dat ze geen kritiek van de religie insloot. Het beeld op het Rouppeplein werd ontworpen door Joseph Poelaert die o.m. ook het Brussels Justitiepaleis bedacht, dat opgetrokken werd op een berg - oorspronkelijk de galgenberg - van de bovenstad.

Het monumentale Justitiepaleis esthetiseert de staat. Het idealiseert het Recht en ruimer de Staat - de Rechtsstaat - met een abstracte en transcenderende universele taal en stijl die refereren aan eeuwige waarden. Het oorspronkelijk ontwerp van Poelaert bracht op de koepel - die een kroon is - een christelijk kruis aan. Poelaert vertolkte het standpunt van een belangrijke fractie van de Belgische heersende klasse voor wie de burgerlijke rechtsstaat moeilijk iets anders dan een christelijke staat kon zijn. De architecturale ontwerpen van Poelaert waren in menig opzicht doortrokken van een hegelianisme.

Maar de receptie van Hegel werd tegelijk afgebroken, al in de periode die de Belgische Revolutie onmiddellijk voorafging. Hegel werd verworpen, niet wegens zijn volledige filosofie (waarmee men overigens niet vertrouwd was), maar wel vanuit de ideologie van het Unionisme (samengaan van liberalen en katholieken). Deze ideologie was eclectisch (liberaal, maar niet antiklerikaal) en onverzoenbaar met de hegelse opvatting van de constitutie, in het bijzonder met de opvatting van de relatie tussen kerk en staat die geïmpliceerd werd door Hegels opvatting van de staat als complete totaliteit, waarin kerk en staat onmogelijk kunnen worden gescheiden. Hegel gaf de contradictie aan tussen een rationele grondwet en het katholicisme als dominante religie, een contradictie waarvan de Belgische provinciën van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in de greep waren. In zijn Rechtsfilosofie voorzag hij een onderwerping van de Kerk aan de wetten, ook al heeft de religie, net als de kennis en de wetenschap, een eigen principe dat verschilt van het principe van de staat.

De hegelse, christelijke staat was de uitvalsbasis van een radicale jong-hegeliaanse kritiek waarmee de kritiek van de religie op het spoor werd gezet van een kritiek van de politiek. Marx zette vervolgens de kritiek op het spoor van de politieke economie. Deze ontwikkeling, die allesbehalve lineair, continu of noodzakelijk was, voltrok zich in belangrijke mate in Brussel. Marx realiseerde tijdens zijn verblijf in Brussel (1845-1848) zijn 'epistemologische breuk' met de Duitse klassieke filosofie. Marx werd in Brussel communist, in de 'marxistische' zin van het woord. Maar deze radicalisering voltrok zich vrijwel volledig buiten de Belgische context. De Belgische intelligentsia en de Belgische arbeidersorganisaties bleven vreemd aan het nieuwe materialisme.

Het Belgisch Unionisme had immers een volledig anders ontwikkelingspad. Geïnterpelleerd én gealarmeerd door het hegelse beginsel van de onverzoenbaarheid van het katholicisme met het publiek recht, en ruimer van het primaat van de staat - dat onder de Hollandse bureaucratie uitgroeide tot een semi-officiële doctrine -, reageerde het Unionisme met een pragmatisch consensusdenken dat een formulering en theoretische uitwerking van een nieuwe doctrine uit de weg ging en niet alleen de Duitse filosofische ontwikkeling, maar zelfs haast elke filosofie weerde.

Deze bijzondere formatie van het ('a'-)theoretisch statuut van de Belgische staat - waarvan de consensuele trekken eveneens traceerbaar waren in de Belgische constitutionele monarchie - heeft een ontwikkelingsschema in het leven geroepen waarin theorie ('abstracties') en breuken grotendeels afwezig zijn.

De 'Belgische bourgeoisie' is aan het bewind gekomen ten gevolge van wat men naar Gramsci als een 'passieve revolutie' kan zien. Ze heeft geen frontale ideologische strijd gevoerd tegen de oude heersende klasse, tegen de 'overblijselen' van de 'oude' maatschappij. Als gevolg hiervan heeft zich een vorm van osmose voltrokken van de oude heersende klasse met de nieuwe heersende klasse.

Dit gegeven heeft tevens gevolgen gehad voor het ideologisch lot van de Belgische arbeidersbeweging. Lenin wees al in 1913 op de afhankelijkheid van de Belgische socialisten, in gans hun houding, van de liberalen en op hun gebrek aan geloof in onafhankelijke actie. De KPB werd, bij haar oprichting in 1921, met dezelfde ideologische structuur geconfronteerd. Slechts een kleine minderheidsstroming binnen de arbeidersklasse en binnen de intelligentsia was bereid om een zowel praktische als theoretische breuk te realiseren met het sociaal-democratisch kamp.

 

Terug naar boven